Ertha, Tiwaz en Mannus

Rond het heillige bos zijn er kleine kampjes ontstaan, de spanning onder de bezoekers is voelbaar.

Morgen zal het grootste Allding ooit plaatsvinden. Stammen vanuit heel vrij Germanië zullen zich laten horen en voor eens en altijd bepalen of de toekomst vrij en Germaans, of onderworpen en Romeins zal zijn. Verschillende stammen vechten al sinds heugenis onder Romeinse eenheden, anderen vechten zoals vanouds alleen voor hun heer, die weer vecht voor zijn volk. Er heerst geen onderlinge verbintenis, de Bataven in het westen zijn onverstaanbaar met hun met Keltisch en latijn doorspekte tongval, terwijl de Cherusken het onderling nog steeds niet eens zijn over of ze voor de vrijheid of de welvaart zullen vechten.

Het is om deze spanning te verbreken dat de sprooksprekers, wijze reizigers die ons Germanen herinneren aan de oude verhalen, de beste plaats aan de kampvuren opeisen en het volgende verhaal spreken. :

Nogsteeds zweren wij bij het Dingrecht op onze eerste voorvader, Tiwaz, eerste onder de Goden. Waar Donar de Reuzen van buiten weghoudt, beschermt Tiwaz ons tegen het beest in onszelf. Hij waakt op de wetten die nodig zijn om ons mensen te laten zijn, het is in zijn naam dat we eedbrekers, moordenaars en dieven straffen, en het is onder zijn toeziende blik dat de meest heillige eeden worden gedaan. Hij offerde zijn hand om de allesverslindende wolf, Veendwaler, gevangen te nemen en ons vooralsnog te bewaren uit de muil waar ooit de Alvader zelf in zal verdwijnen.

Het was Tiwaz die ooit, in een duister en vormloos verleden Ertha, de moeder van alles waarvan wij leven, tegenkwam. Zelfs de Romeinen erkennen het belang van Ertha, die zij Gaia noemen. Tiwaz wilde Ertha als de zijne hebben, bezitten en thuis houden alsof ze een trofee was. Hoewel Ertha de waarde van Tiwaz welzeker herkende, en wist dat zij samen inderdaad een sterk en liefdevol koppel zouden vormen, wees zij hem toch af. Waar hij zich door liet lijden was niet liefde maar hebzucht, en Ertha zou haarzelf nooit bezit laten worden.

n een waas van woede ontnam Tiwaz zichzelf  zijn eer, en veroverde het lichaam van Ertha. Verslonden door zijn eigen hebzucht verkrachtte hij Ertha, die stilzwijgend het liet gebeuren. Zij had dit kunnen voorkomen, maar om redenen die wij nooit zullen kunnen weten, deed zij dit niet.

Pas nadat hij zijn innerlijk vuur had bekoeld, besefte Tiwaz wat hij had gedaan. Uit schaamte trok hij zich eeuwig terug in het Azenrijk waar hij thuishoort.

Uit deze samengang baarde Ertha Mannus, de eerste van de vrije mensen. Zowel Ertha als Tiwaz hielden van Mannus, en hoewel ze elkaar nooit meer zullen kennen, voedden ze Mannus gezamenlijk doch gescheiden van elkaar op.

Ertha schonk Mannus alle kruipende, zwemmende en vliegende wezens. Om zich mee te voeden of om mee samen te werken. Ook schonk zij Mannus de macht om hout en steen te bewerken.

Maar Tiwaz zag in Mannus de vlam die hijzelf door had gegeven. De drang tot overheersing, onderwerping en ontheilliging. Daarom gaf hij Mannus het Dingrecht, en de eerste wetten. Door deze regels te kennen en zich aan te houden zou Mannus de eer die zijn vader had verspeeld, kunnen bewaren. En voor altijd zijn plek kennen in harmonie met de Goden en de Natuur.

Naarmate de tijd verder zou verlopen, en Mannus opgroeide tot een ware held, begon hij de vrije wereld te verdelen. Zijn oudste zonen, Yngi, Herm en Istea vormden de drie grote stammen aan de zee, zij leefden in gezonde concurrentie met elkaar en kwamen telkens bijeen voor het alding, waar ze elkaar beoordeelden op hun eer en rechtvaardigheid, en elkaar herinnerden aan de heilige plichten die hun waren toebedeeld. Zij gedrieën begonnen wat ons nu nog samen kan  houden.

Mannus kreeg steeds meer zonen, elk van welk een eigen stam begon. Tiwaz zag zijn nageslacht de vrije wereld bevolken, en moedigde zijn Azenbroeders hen uit te dagen en krachtig te laten worden.

Ertha zag haar nageslacht verspreiden en wist dat ze, langzaam maar zeker hunzelf en hun band met haar zouden vergeten. Dus vroeg ze aan haar geliefde Wanen om van hun te houden, en hun hun aard te laten herinneren.

Elk van deze zonen leidde zijn volk naar glorie, en leeft voort in de vele zonen en dochters die bij hun stam horen. Maar hoeveel we ook worden, en hoe verward we onderling ook mogen raken, wij hebben allen nog de aard van Mannus. Indien wij, als volk, onze eigenheid laten verdwijnen, dan wordt een verband tussen Tiwaz en Erthe, Aesir en Waan, verbroken. En dan zal het eeuwen duren voor onze nakomelingen in geest de weg terug weten te vinden.

 

De volgelingen van Mannus, door eed en plicht verbonden, zullen ooit weer terugkomen. Zij zullen zich in onze voetsporen weten, maar welk pad laten wij voor hen achter? Bedenk u in de jaren die komen dat u uzelf niet cadeau heb gekregen van uw voorouders of Goden, maar in bruikleen heeft van uw nakomelingen en uw Goden.

 

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

 

Het bovenstaande verhaal heb ik verzonnen, maar ik heb geprobeerd het verhaal zelf te laten passen bij de informatie die we hebben van de Germanen rond het jaar 0. Het is namelijk volgens mij tijd om verhalen te gaan vertellen. Niet alleen de verhalen zoals die ooit zijn opgeschreven, maar om zelf uit de put van de Mijmeraar te putten, en om het te verdienen het bloed van Kvasir op onze lippen te proeven.

 

De Overdenker en de mijmeraar.

De oorlog eindigde. Niet door weemoed, liefde of beslechting van het conflict, maar door wederzijdse uitputting.  Het gebrek aan reden om de strijd te staken werd eindelijk ingehaald door het gebrek aan reden om te strijd voort te zetten.

Om de vrede te bewaren, zouden beide stammen de ander een gijzelaar en ambassadeur sturen. Deze zou bij de voormalige tegenstanders een nieuw leven opbouwen en het beste van zijn afkomst vertegenwoordigen en een betere reputatie bouwen. Tegelijkertijd zou de aanwezigheid van hun geliefden voormalige vijanden weerhouden van het opnieuw beginnen van de strijd.

De Wanen stuurden hun schoonsten. Njord, heer van de woeste zee en al haar rijkdommen. Maar ook zijn kinderen, onafscheidelijk als zij waren. De mooie Freya, die haar magische krachten al had bewezen aan de Azen en haar broer en gemaal, Freyr, die aan schoonheid en vruchtbaarheid aan zijn geliefde zuster gelijk was. Gedrieën vertegenwoordigen zij de kern van de Wanen. Schoonheid, welvaart, liefde en vrijheid.

De Azen lieten zich niet onderdoen. Zij stuurden de Overdenkende, Hoenir en Mimir, de Mijmeraar.

De Overdenker had de mens het cadeau gegeven van de Rede, de mogelijkheid om te redeneren en te overwegen. De Wanen zagen hem direct als een machtige heerser en maakten hem een Ouderling in hun stam.

Mijmeraar was niet minder wijs, hij beheerde al eeuwen de bron der inzichten, waarvoor de Woedende Wijsgeer zijn oog moest geven om een teug te ontvangen. Hij gaf het beste raad, voor zij die het geduld hadden om het wikken en wegen te laten gebeuren, en het antwoord konden begrijpen.

Gezamenlijk brachten ze de Wanen veel wijsheid en inzichten. De Overdenkende vroeg raad aan de Mijmeraar, en samen wisten ze de wijsheid te vinden. De Wanen konden het advies van de Overdenkende waarderen, maar niet altijd begrijpen. De Mijmeraar werd niet gewaardeerd, hij deed lang over een antwoord vinden, zelfs als de Wanen het makkelijk vonden.

Als de twee gescheiden waren, ging het helemaal fout. De Mijmeraar bleef wikken en wegen, en kwam nooit tot een duidelijk antwoord, en de Overdenker gaf telkens hetzelfde antwoord. ”Vraag het iemand anders, die komt met een kloppender antwoord”.   Een waar antwoord, want zonder mijmeren, en de wijsheid van diep is het overdenken nutteloos. Zoals vuur brandstof moet hebben, en een handelaar handelswaar.

De Wanen voelden zich bedrogen door de Azen, die daar al een reputatie in hadden verdient. Uit woede onthoofden ze de Mijmeraar, en stuurden ze dit hoofd naar de Azen.

De Woedende Wijsgeer weende diepe tranen van rouw over zijn oom en vriend. Maar de wijsheid in het hoofd van de Mijmeraar ging niet verloren.

De Woedende Wijsgeer balsemde het hoofd, en prevelde er onbekende Runes over. De Mijmeraar zou eeuwig blijven mijmeren. Hij zag nu nog verder in de gescheiden werelden, en zou de Woedende Wijsgeer nog veel waardevol advies geven. Want om te mijmeren hoef je niet te leven, slechts geleefd te hebben.

 

 

 

 

 

Being Heathen

mainer74

We took an insult hurled at us by Christians, and claimed it for our own.

Noun derogatory

noun: heathen; plural noun: heathens

1.

a person who does not belong to a widely held religion (especially one who is not a Christian, Jew, or Muslim) as regarded by those who do.

synonyms:          pagan, infidel, idolater, heretic, unbeliever, disbeliever, nonbeliever, atheist, agnostic, skeptic; archaic paynim

(https://www.google.ca/?gws_rd=ssl#q=Heathen)

We had a word, Asatru, that meant true to the Aesir.  Not being a perfect word, it failed to include the Vanir, and lent itself better to Icelandic or Scandinavian based practice than Anglo-Saxon, Germanic, Germano-Slavic, Frankish, Frisian or other Germanic Neo Pagan folk ways.  Heathen had come to the term that our community used to differentiate ourselves from the Wiccans and other Neo Pagans.  Inside the Pagan community it had come to be the term both sides used to divide our two groups…

View original post 1.793 woorden meer

Happy!:)

Gewoon omdat je af en toe even moet denken aan blije dingen

HappyHealthyHarpist

Hola hoi!

Waar worden jullie blij van?
Ik zal jullie vertellen waar ik blij van wordt!

Ik word blij van:

  • De zon, en zeker als het koud is is zo’n zonnetje heel erg fijn!
  • Mijn harp! ik hoef er alleen al naar te kijken en ik word al blij maar als ik er op speel wordt ik nog veel blijer!
  • een lekker kopje thee met chocolade
  • Iets maken waar ik later veel plezier van heb of om er een ander plezier mee te doen. Nu ben ik bezig met een mooie sjaal voor mezelf, heerlijk ontspannen brijen en een filmpje kijken.
  • Eten!! heel lekker gezond eten, zoals groente en fruit, soep, ovenschotels en nog veel meer! Wat eten jullie het liefste?
  • Koken, daar word ik ook heel blij van en het liefst elke keer iets nieuws. Ik zoek altijd naar recepten op internet het liefst vegetarisch.
  • Mijn kat Morbie. Dat…

View original post 244 woorden meer

De Eilander-God

Bovenop het duin staat een eenzaam figuur. Hij kijkt uit over de zee, over de golven die met toenemende kracht op het strand kapotslaan. In de verte ziet hij zeehonden lui en tevreden chillen op een zandbank. Zeemeeuwen schreeuwen in de lucht met een kabaal dat geen menslievend dier zou durven te maken. Een natuurlijk orkest van echt leven. Het eenzame figuur op het duin neemt alles in zich op. De wind waait hard, harder dan normaal. ”U komt langs” fluistert dit figuur in het niets.

Er verschijnt buiten zijn wil op een grijns op zijn gezicht. Voor iemand die niet weet wat hij weet, zou dit enorm verontrustend zijn.

De Priester, want dat is hij, ziet alle kleuren van het eiland voorbijkomen. Avondrood neemt langzaam de blauwe lucht over. Het gele helmgras kietelt zijn hand, terwijl hij op malse groene mos staat. Naarmate de wind harder wordt komt er steeds meer witte zout vannuit die heerlijke zee over de Priester heen.  Een reiniging? Een doop? Een zegen? Dat alles en meer.  De Priester voelt zich weer verbonden met het hele eiland, zijn Tempel.

De wind loeit harder, een gehuil raast over het hele eiland. Het is het soort avond geworden waar oude verhalen zouden worden verteld.

Boven op dit duin, heeft de Priester geen enkele beschutting, behalve die mysterieuze grijns die hij zelf niet snapt. Deze grijns lijkt hem de kracht te geven om op zijn plek te blijven.  Zijn haar, geklonterd met het zout slaat hem als een zweep in zijn gezicht, hij moet vechten om niet naar achteren te slaan, maar dit is een gevecht dat hij vaker voert. Of beter gezegd, een spelletje die hij vaker speelt.

”Geef mij uw naam!” Schreeuwt de priester tegen de storm. De storm antwoord, maar niet in een taal die een mens kan verstaan.

”Ik eer u, ik dien u, maar ik zal niet zomaar wijken” de Priester daagt de storm uit, en de storm speelt mee. Rukwinden komen op, de Priester moet zijn hele gewicht in de strijd gooien, maar zelfs dan schuifelt hij.

 

Hoe lang deze dans duurt weet niemand, maar te zijner tijd gaat de wind weer liggen. De priester doet nog een buiging, en draait zich weer om. Hij keert terug naar het dorpse leven, van al die mensen die niet weten dat ze in zijn Tempel wonen. Nog één keer draait de Priester zich weer om. ”Ik weet niet of u Wodan bent, of Donar. Njord, Nerthus of Nehalennia. Misschien bent u dezelfde als de legendarische prinses? Of misschien heeft u geen naam die ik ooit zou hebben gehoord. Maar ooit ontdek is wie u bent, en hoe ik u dien te benoemen!” Een diepe zucht, de Priester kijkt bedachtzaam. ”Maar alles op zijn tijd” mompelt hij nog.

 

Dat het hier een Tempel is, weet hij.

Dat hij een Priester is, heeft hij wel moeten aanvaarden.

Maar aan wie die tempel gewijd is, misschien zal hij daar nooit achter komen.